De provincie Zeeland ligt in het uiterste zuidwesten van Nederland en beslaat 5,4% van het Nederlands grondgebied. Ze is 293.400 ha groot, waarvan 61 % land (Figuur 1).

Figuur 1. Overzicht van Zeeland met deelgebieden en enkele kenmerkende habitats. Zie Bijlage 1 voor de afkortingen (codes) die voor de deelgebieden zijn gebruikt. Figuur 1. Overzicht van Zeeland met deelgebieden en enkele kenmerkende habitats. Zie Bijlage 1 voor de afkortingen (codes) die voor de deelgebieden zijn gebruikt.

Op de duinen van Walcheren, Schouwen en West Zeeuws-Vlaanderen na is Zeeland ontstaan uit bedijkingen van slikken en schorren. Het gevolg hiervan is dat de bodem vooral uit zeeklei bestaat. Alleen in de duinen en het uiterste zuiden van Zeeuws-Vlaanderen is er zand (http://www.bodemdata.nl).

Volgens De Bruin & Wilderom (1961) en Wilderom (1964, 1968 en 1973) waren er in Zeeland in de jaren zestig 641 polders. Sindsdien zijn er nog een paar bijgekomen. Indien het landoppervlak gedeeld wordt door het aantal polders komt het gemiddeld oppervlak op circa 270 ha.

De oorspronkelijke dijken (nu binnendijken) zijn voor het overgrote deel nog intact. Ze zijn nogal eens met bomen beplant, vooral populieren. Ze bieden broedgelegenheid aan Buizerd, Boomvalk en Torenvalk.

Met de bedijking, en door dijkherstel na een dijkdoorbraak, zijn getijdengeulen binnendijks komen te liggen. In Zeeland worden ze kreken genoemd. Laag gelegen kreekoevers zijn vaak in gebruik als weiland. Op niet begraasde delen groeit riet. Dit zijn belangrijke broedplaatsen voor de Bruine Kiekendief.

In de jaren vijftig en zestig werd veel natuurgebied omgezet in akkerland[1]. Vanaf het midden van de jaren zestig waren laaggelegen (natuur)gebieden aan de beurt om productief gemaakt te worden. Ze werden nogal eens met bomen beplant (Figuur 2), meestal met populieren. Indien in gebruik als boomweide, ontbreekt ondergroei. Zonder ondergroei bieden ze broedgelegenheid aan Buizerd, Boomvalk en Torenvalk, met ondergroei aan dezelfde soorten plus Havik en Sperwer.

Figuur 2. Trend van de oppervlakte aan natuur en bos in Zeeland in de periode 1950-2015. Bron: http://statline.cbs.nl.Figuur 2. Trend van de oppervlakte aan natuur en bos in Zeeland in de periode 1950-2015. Bron: http://statline.cbs.nl.

Door de Deltawerken werden voormalige getijdengebieden afgedamd. Hierdoor ontstonden het Veerse Meer (1961), het Grevelingenmeer (1971), het Markiezaatsmeer (1983) en het Volkerak-Zoommeer (1987) (http://www.deltawerken.com). De door de afdamming voor altijd droogvallende gronden kregen over het algemeen de bestemming natuur, vaak met 'recreatief medegebruik'. Ze raakten begroeid met riet en andere overjarige vegetatie waardoor tijdelijk nestgelegenheid ontstond voor de Bruine Kiekendief. Op natte plaatsen is dat zo gebleven, maar op droge plaatsen ging de ontwikkeling verder en is (moeras)bos ontstaan. In dergelijk bos broeden Buizerd en Havik en in mindere mate Sperwer en soms Torenvalk. Op sommige plaatsen wordt bosontwikkeling door begrazing of maaien tegengegaan.

De Ooster- en de Westerschelde staan nog in open verbinding met de Noordzee. Maar ook daar is door inpolderingen (beide) en amputaties in verband met de Deltawerken (Oosterschelde) veel schor verloren gegaan. In de Oosterschelde rest nog maar 190 ha aan schor, de Westerschelde komt er met 2.745 ha. schor beter van af (http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl). Het Verdronken Land van Saeftinghe (in het uiterste oosten van de Westerschelde bij de grens met Vlaanderen) is met circa 3.600 ha (2.250 ha begroeid schor) het grootste brakwaterschor van Nederland. De Bruine Kiekendief is de enige roofvogel die op schorren broedt.

Het landoppervlak in Zeeland is voor 76,5 % in agrarisch gebruik, slechts 8,0 % is bos en open natuurlijk terrein. De rest wordt intensief gebruikt; recreatie, bebouwd en verkeer (http://statline.cbs.nl, gegevens 2015).

Gebouwen, infrastructurele werken en hoogspanningsmasten bieden nestgelegenheid aan de Slechtvalk (indien rust is gewaarborgd) en Torenvalk. Er wordt daar gebroed in holtes, in nissen, op richels en op oude kraaiennesten.

Bij het agrarisch gebruik gaat het om 71% akkerland en 18% grasland (waarvan bijna twee derde permanent) en 6% fruit- en groenteteelt De belangrijkste akkergewassen zijn granen (42%), aardappels (22%), suikerbieten (10%), akkerbouwgroenten (10%), maïs (7%) en groenvoedergewassen (6%) (http://statline.cbs.nl, gegevens 2012). Bruine Kiekendieven broeden in toenemende mate in landbouwgewas. In volgorde van afnemend belang gaat het om wintergraan, luzerne, maaigras en graszaad. In boomgaarden is door plaatsing van nestkasten broedgelegenheid voor de Torenvalk en in de windsingels eromheen broedt soms een Buizerd.


[1]In de jaren vijftig en zestig was akkerland niet te vergelijken met tegenwoordig. Het gebruik van akkers is veel intensiever geworden, met de ineenstorting van de populaties van Fazant, Patrijs, Kievit, Scholekster, Veldleeuwerik, Gele Kwikstaart tot gevolg. Zie onder anderehttps://www.sovon.nl/nl/content/vogelbalans-2012-0