| 8.1. Bruine Kiekendief (Circus aeruginosus) |
|
|
Peter Heetesonne toont een jonge Bruine Kiekendief aan de kinderen Govaert. Normaal worden kiekendieven op het nest geringd. Alleen bij uitzondering, zoals voor dit educatieve doel, worden ze van het nest gehaald. Het nest bevindt zich aan de rand van een boomgaard op nog geen 200 m van huize Govaert. Het is een wat atypische plaats, maar het nest is vrijwel jaarlijks succesvol. Breskens 15 juli 2006. Foto: Henk Castelijns. In 2007 begonnen Bruine Kiekendieven gemiddeld op 23 april met de eileg, dat is twee dagen later dan gemiddeld (n=40). De Bruine Kiekendief overwintert in ZW Europa en Afrika (Cramp & Simmons 1980). In tegenstelling met lokaal overwinterende soorten zoals Sperwer, Buizerd en Torenvalk, is een zachte winter niet van invloed op de conditie van Bruine Kiekendieven. Zodra ze half maart uit de overwinteringgebieden arriveren, beginnen ze meteen met de balts en het bouwen van een nest. Dat neemt 1-4 weken in beslag (bijlage 3 ).
In 2007 is een opvallend aantal broedparen laat met de leg begonnen: 16 van de 40 op 28 april of later, terwijl 1 op 10 normaal is (bijlage 2 ). In zeker vijf gevallen ging het om een vervolglegsel en in een aantal gevallen wordt dat vermoed. Hieronder waren er twee in wintergraan. Op basis van de vleugellengte kon worden berekend dat deze paren met de eileg waren gestart op 16 mei en 1 juni. Dat is uitzonderlijk laat voor broedparen waarvan het vrouwtje volwassen (+2kj) is. Voor twee andere in wintergraan broedende paren kan de eilegdatum worden geschat op basis van het tijdstip dat de jongen zijn uitgevlogen: circa 6 en circa 12 mei. Van deze paren is de leeftijd van het vrouwtje niet bekend. Hoe dan ook zo veel ‘late’ paren duiden erop dat er aan het begin van het broedseizoen veel is misgegaan. ![]() Figuur 8. Aantalsverloop van het aantal broedparen van de Bruine Kiekendief in Zeeland in de periode 1995-2007. In 2007 is in Zeeuws-Vlaanderen begonnen met het meten van het eivolume. De maat van de eieren werd genomen met een digitale schuifmaat met een nauwkeurigheid van 0,01 mm. De gemiddelde lengte van de eieren was 48,6 mm (s=2,2, n=127) en de breedte 38,0 mm (s=1,2, n=127). Het eivolume is berekend met de formule volgens Hoyt (1979): 0.51 x lengte x (2 x breedte) en bedraagt 35,9 ml (s=3,5, n=127). Overigens zijn voor het opmeten van de eieren geen extra nestbezoeken uitgevoerd. Het onderzoek maakt deel uit van een vergelijking tussen binnen- en buitendijks broedende paren. Door omstandigheden is een deel van het onderzoek in 2007 niet uitgevoerd. ![]() Figuur 9. Trend van het aantal eieren en het aantal uitgevlogen jongen bij de Bruine Kiekendief in Zeeland in de periode 1996-2007. Het eerste onderzoeksjaar (1995) is als uitbijter beschouwd. ![]() Tabel 3. Geslachtsverhouding van jonge op het nest geringde Bruine Kiekendieven in Zeeland in de periode 1995-2007. |
||
| < Vorige | Volgende > |
|---|



