| 2. Werkwijze |
|
|
Bij broedvogelonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen een nestvondst en een territorium. Bij een nestvondst gaat het om een zeker broedgeval en bij een territorium om een paar dat gedurende enige tijd aanwezig is in een geschikt broedgebied, maar waarvan broeden niet is bewezen, omdat het nest niet werd gezocht (meestal) of gevonden (soms). Bij de Bruine Kiekendief worden in dit verslag nestbouw, landingen met prooi op het (niet zichtbare) nest en uitvliegende jongen als nestvondst aangemerkt. De regiocoördinator verzamelt voor de deelgebieden in zijn regio alle waarnemingen van territoria en nestvondsten van roofvogels en tekent ze in op een topografische kaart of legt ze met Amersfoort-coördinaten (op ten minste één kilometer nauwkeurig) vast op een lijst. De gegevens worden daarna naar de provinciale coõrdinator gestuurd. Alle waarnemingen van territoria en nestvondsten worden gebruikt voor het maken van een populatieschatting. Gegevens zoals nest aanwezig, nest gelukt, biotoop en dergelijke die niet op een nestkaart worden ingeleverd, worden alleen provinciaal gerapporteerd. Als de bevindingen tijdens nestbezoeken op een SOVON-nestkaart worden genoteerd worden de resultaten zowel landelijk (door SOVON/WRN) als provinciaal gerapporteerd. Het broedsucces is berekend met behulp van het aantal uitgevlogen jongen per geslaagd broedgeval. Er zijn alleen resultaten gebruikt van nesten waar daadwerkelijk in werd gekeken of van nesten waarbij het aantal jongen werd bepaald door langdurige observatie. |
| < Vorige | Volgende > |
|---|

Sinds 1995 worden in Zeeland resultaten van broedende en territoriumhoudende roofvogels systematisch verzameld. De eerste twee onderzoeksjaren was er geen deugdelijke instructie voorhanden. In februari 1997 verscheen de "Handleiding veldonderzoek roofvogels" (Bijlsma 1997). Hoewel niet alle waarnemers van de inhoud van deze handleiding op de hoogte zijn, worden de door hen verzamelde waarnemingen wel aan de in de handleiding genoemde criteria getoetst.